Artikelindex

 

Het korte verhaal De roos van Paracelsus is geschreven door de Argentijnse schrijver Jorge Luis Borges. Ik heb die roos voor u van t wereldwijdeweb geplukt:

 

De Roos van Paracelsus

Op zijn werkplaats, die de twee kamers van het souterrain omvatte, vroeg Paracelsus zijn God, zijn onbepaalde God, iedere God, hem een leerling te sturen. Het liep tegen de avond. Het schaarse vuur in de stookplaats wierp onregelmatige schaduwen. Opstaan om de ijzeren lamp aan te steken was te veel inspanning. Paracelsus, afgetrokken van vermoeidheid, vergat zijn smeekbede. De nacht had de stoffige distilleertoestellen en de alchemistenoven uitgewist toen er op de deur werd geklopt. De man kwam slaperig overeind, beklom de korte wenteltrap en opende een van de vleugels.  

 

Een onbekende trad binnen. Ook hij was heel moe. Paracelsus wees hem een bank; de ander ging zitten en wachtte af. Een tijdlang wisselden zij geen woord. De meester was de eerste die sprak. "Ik herinner mij gezichten uit het Westen en gezichten uit het Oosten," zei hij, niet zonder zeker vertoon. "Het uwe herinner ik mij niet. Wie bent u en wat wilt u van mij?" 

"Mijn naam is van geen belang," antwoordde de ander. "Drie dagen en drie nachten heb ik gelopen om uw huis te kunnen binnengaan. Ik wil uw leerling zijn. Hier is al wat ik bezit." Hij haalde een groflinnen zak te voorschijn en gooide hem leeg boven tafel. De vele munten waren van goud. Hij deed het met zijn rechterhand.

Paracelsus had hem zijn rug toegekeerd om de lamp aan te steken. Toen hij zich weer omdraaide merkte hij dat de linkerhand een roos vasthield. De roos maakte hem onrustig. Hij leunde achterover, drukte zijn vingertoppen tegen elkaar en zei: "U acht mij in staat de steen te bereiden die alle elementen omzet in goud en u brengt me goud. Het is niet goud wat ik zoek, en als het goud is wat u interesseert, zult u nooit mijn leerling zijn."

"Goud interesseert me niet," antwoordde de ander. "Deze munten zijn alleen een blijk van mijn bereidwilligheid om te werken. Ik wil dat u mij de Kunst leert. Ik wil aan uw zijde de weg afleggen die leidt naar de Steen."
Paracelsus zei, langzaam: "De weg is de Steen. Het vertrekpunt is de Steen. Als u deze woorden niet begrijpt, bent u nog niet begonnen te begrijpen. Iedere stap die u zult zetten is het eindpunt."
De ander keek hem achterdochtig aan. Hij zei op andere toon: "Is er dan een eindpunt?"
Paracelsus lachte. "Mijn lasteraars, die even talrijk als dom zijn, zeggen van niet en zij noemen mij een bedrieger. Ik geef ze geen gelijk, maar het is niet onmogelijk dat ik een dromer ben. Er is een Weg, dat weet ik."
Er viel een stilte, en de ander zei: "Ik ben bereid die met u af te leggen, al moeten we vele jaren gaan. Laat mij de woestijn doorsteken. Laat mij desnoods van verre het beloofde land zien, al staan de sterren me niet toe het te betreden. Voor ik de reis onderneem wil ik een bewijs."
"Wanneer?" vroeg Paracelsus, onrustig.
"Nu meteen," zei de leerling, met plotselinge beslistheid. In het begin hadden zij Latijn gesproken; nu spraken zij Duits. De jongen stak de roos in de lucht. "Het heet," zei hij, "dat u een roos kunt verbranden en weer uit de as laten verrijzen, door middel van uw kunst. Laat mij getuige van dat wonder zijn. Dat vraag ik u, en daarna zal ik u mijn hele leven geven."
"U bent erg goedgelovig," zei de meester. "Ik heb geen behoefte aan goedgelovigheid; ik eis geloof."
De ander drong aan. "Juist omdat ik niet goedgelovig ben wil ik met mijn eigen ogen de vernietiging en herrijzenis van de roos aanschouwen."
Paracelsus had de roos gepakt en speelde er mee terwijl hij sprak. "U bent goedgelovig," zei hij. "U zegt dat ik in staat ben haar te vernietigen?"