Er is nog een andere verwantschap: tussen dit soort activiteiten (en rituelen) enerzijds en het leven in diep-menselijke relaties zoals familierelaties anderzijds. We kunnen aan het leven in dat soort relaties niet ontsnappen. We zijn altijd al gevat in een kader dat ons en onze handelingen betekenis geeft. Dit betekeniskader speelt ondergronds een rol ook in de meest alledaagse bezigheden waarin de betekenis tegelijk enigszins wordt vergeten. De meest repetitieve, alledaagse activiteit wordt in dit kader potentieel geladen met een ‘diepere’ betekenis. Het samen eten, bijvoorbeeld. Van Deyssel: “Er is verwantschap tussen het gedrag van de Engelsman, die zich Feestelijk kleedt om aan de Maaltijd te gaan, en dat van de Roomse priester, die zich mooi aankleedt om de vergoddelijking van het Eten en Drinken te gaan vieren” (CCXXXIX). Het belang van wat gewoonlijk op de achtergrond blijft, wordt op bepaalde momenten inderdaad uitdrukkelijk gevierd: in een feest dat zoals iedereen weet gekenmerkt is door herhaling en een zekere beregeling, en een quasi-ritueel karakter heeft. Of we het beseffen of niet, in de alledaagse drukte of in het vieren, de diepere realiteit is werkelijk aanwezig. Op bepaalde momenten, niet zelden als het te laat is, komt zij met grote densiteit onder de aandacht. De enorme relevantie van familierelaties is niet het werk van de individuen; zij is het resultaat van hun opgenomen zijn in altijd al bestaande en relevantie producerende betekeniskaders. 

Die problematiek wordt in heel zijn huidige complexiteit prachtig uit de doeken gedaan in de roman van Frans Kellendonk, Mystiek lichaam. Als het goed is, geldt wat deze relaties betreft eveneens: dat zij geen middelen zijn voor iets anders; dat de ‘winst’ een bij-product is van de relatie zelf; dat niet de innovatie telt, maar de eenmaligheid die niet losstaat van de herhaling; dat het zelf hier slechts zichzelf kan vinden als het zichzelf kan loslaten. Maar het is natuurlijk niet altijd goed. Dat is niet zomaar op te lossen door pillen of counseling , nog minder door het vervangen van familiale relaties door (samenlevings)contracten. Waar zijn de rituelen voor het omgaan met verlies en schuld gebleven?
Wij leven in een cultuur waarin de herhaling gemeden wordt als de pest, waarin de vormen verwisselbare codes zijn gericht op het produceren van aangename of interessante effecten voor het ik, waarin ‘vaste’ relaties gelijkstaan met onaanvaardbare gebondenheid en vervangen worden door losse, tijdelijke contracten zolang ze het subject goed uitkomen. In zo’n cultuur lijkt het haast onmogelijk dat “everything’s recurring till we answer from within”, dat in de herhaling de vonk overslaat. “Niet toevallig is in onze culturen het monastieke kader datgene waarbinnen het ritueel nog enigszins kan worden verankerd... Wil men het ritueel buiten zijn natuurlijk kader [van een totale levensweg] nog een plaats geven, dan kan men enkel een eiland uitsparen binnen een voor het overige geseculariseerd en gefragmenteerd leven. Het ritueel fungeert dan als een contrast, een tegengewicht, dat in het beste geval nog enigszins afstraalt op datgene wat het niet is. Tenzij men – andere hoorn van het dilemma – inderdaad opteert voor de totale levensvorm: de monastieke bekering of, vaker, de bekering naar een nieuwe spirituele weg, ingevoerd van elders, met afzwering van de bestaande”.  Telkens ontbreekt echter de verankerde collectieve levensvorm die de individuele reacties en handelingen behoedt voor irrelevantie.
3. Contemplatie en zorg
Het geïncarneerde mysterie is, zo hebben we gezien, enorm kwetsbaar; niet alleen op zichzelf, als concreet en materieel, maar ook in zijn relatie tot het ik dat zijn interesse kan verliezen, mislukken in de overdracht naar nieuwe leden van het mystiek lichaam. De intrinsieke kwetsbaarheid van de geïncarneerde betekenis leidt spontaan tot zorg, en wel zorg in de meest elementaire vorm: bewaren, beschutten, herstellen, genezen. Die zorg dringt zich paradoxaal genoeg vooral op wanneer de kwetsbaarheid gekwetstheid is, wanneer de luister is verbleekt, wanneer het interessante oninteressant is geworden. Hier ligt de aansluiting tussen contemplatie en ethiek.
Het winstbejag tast alles aan: de natuur, de stad, de mens, de menselijke verhoudingen, die allemaal potentieel vindplaatsen zijn van het mysterie. De ethiek moet dan ook vandaag een brede ethiek zijn van zorg niet alleen voor de ander, maar ook voor onszelf, voor de natuur, de omgeving waarin we wonen. Brede ethiek ook omdat het niet kan gaan om het involgen van een paar abstracte principes zoals het autonomie- of het niet-schaden principe. Ethiek is altijd een ethiek van trouw en eer: in trouw (en ver-trouwen) eer betonen aan het kwetsbare mysterie. Ethiek is eredienst die de vorm aanneemt van de zorg.  De grootste eredienst is de zorg voor datgene wat eigenlijk afgeschreven is: zoals in de werken van barmhartigheid.
De mens moet ook zorg dragen voor de eigen eer van het zelf dat hij/zij als gave en opgave ontvangen heeft. We kunnen ons daar plots sterk van bewust worden wanneer we geconfronteerd worden met oneer en vernedering. De context kan zelfs zodanig zijn dat we zelf niet meer weten of we schuldig zijn of niet, als in de roman Disgrace van J.M. Coetzee.  De reactie die Coetzee in de roman beschrijft, is er een van ontlediging, radicale onthechting aan een bepaald beeld van zichzelf die gepaard gaat met of zich uitdrukt in zorg voor de kadavers van totaal verwaarloosde zwerfhonden.  Aandacht voor het mysterie in de werkelijkheid en in onszelf lijkt uiteindelijk verbonden met zorg en trouw aan iets wat niets glorieus of interessants meer heeft, wat haast over de grens ligt van de betekenis. Is dat de liefde waarover een Mensenzoon vertelde die de zelfontlediging zó heeft voorgeleefd dat hij ons kon beloven “Ik blijf altijd bij u” ook en vooral in de uiterste gekwetstheid?  
De comtemplatie voorbij de contemplatie is de liefde.