Artikelindex

Zoals het contact met het mysterie gebeurt via zijn incarnatie in het concrete en bemiddeld wordt door de herhaling, zo is ook de bemiddeling van een gemeenschap van levenden en doden nodig. Wat zij zelf niet konden uitgedrukt krijgen tijdens hun eigen leven, vertellen ze ons in de taal die ze ons hebben nagelaten, in de gebeden die wij nabidden. Geen contemplatie zonder mystiek lichaam.

Dat de werkelijkheid een mysterie-volle werkelijkheid is, betekent tegelijk dat ze tragisch is. Het geïncarneerde mysterie kan, door zijn incarnatie zelf, geaffecteerd worden: aftakelen, ziek worden, sterven. Of onze ziel geraakt zo verdord dat we het mysterie nergens meer kunnen vinden. Of de gemeenschap waarin we leven vergeet, in haar obsessie met winst en vooruitgang, dat ze zelf een mystiek lichaam is. Paradoxaal genoeg zijn aan groepen mensen woorden en riten geopenbaard die hen kunnen helpen om het in die tragische omstandigheden uit te houden, om zelfs dan te wachten, wanneer verwachten uitgesloten lijkt. Dat was zo bij Sarah en Abraham, de stamouders van de drie religies van het Woord. Religie, zo zegt de Poolse filosoof Leszek Kolakowki, is “a man’s way of accepting life as an inevitable defeat”.  Het meest tragische lijkt wel te zijn dat de tragiek zelf en de wegen om er mee te leven niet meer worden begrepen en doorgegeven. “The loss of religion is the loss of loss”.  Het verlies van het tragische is ook de deemstering van het mysterie?
2. Contemplatie en actie
Niet zelden wordt contemplatie tegengesteld aan actie; ik heb het zelf zoëven ook gedaan: actie als gerichtheid op telkens weer andere, betere resultaten, waarvoor steeds betere middelen en betere informatie moet worden gezocht. De rusteloosheid, het activisme van het handelen in een omgeving die ons steeds voor nieuwe uitdagingen stelt, lijkt onverenigaar met de houdingen van wachten, van openheid van de aandacht die nodig lijken voor de contemplatie. Toch lijkt actie niet zonder meer tegenstrijdig met contemplatie. Iedereen weet dat vele contemplatieve bewegingen contemplatie combineren met vormen van actie die zelf niet los zouden staan van contemplatie. En, hoe dan ook, contemplatie verlost ons niet van het lichaam dat tijdens de contemplatie onvermijdelijk bepaalde dingen doet: knielen, zitten, ritmisch bewegen, ademen ... Het is zelfs zo dat in bepaalde religieuze tradities contemplatie gezocht wordt in de actie, in wat, van buitenaf bekeken zelfs overkomt als een of andere vorm van sport, – hét model van de actie gericht op winst, op resultaat.
De geliefkoosde sport van een leraar Duits in Tokyo was het boogschieten, een sport waarin hij uitblonk. Nu hij toch in Japan was, wilde hij met iets typisch Japans als het zen-boeddhisme kennismaken via de praktijk van het zen-boogschieten. Zijn wedervaren vertelt Eugene Herrigel in het intussen beroemde boek Zen en de kunst van het boogschieten.  Herrigel beschrijft nauwkeurig het contrast tussen de zenmanier van boogschieten en de sport van het boogschieten die hij al in Duitsland bedreef. Deze laatste vergde natuurlijk doorgedreven training, gericht op het ene doel: te winnen, zoveel mogelijk punten te scoren. De activiteit zelf en de middelen gebruikt om het doel te bereiken zijn eigenlijk bijzaak. Waar het op aankomt, is de beste te zijn. Alle sport lijkt dan ook op topsport, waarin alles in dienst staat van de winst. Zoals dat tegenwoordig gaat, worden daartoe wetenschappelijke inzichten en technische (bijvoorbeeld medische) innovaties ingeschakeld om de kans op winnen te verhogen. Wat Herrigel er niet bij vertelt, maar zeker niet zou tegenspreken, is dat sport, topsport, het model is geworden voor alle menselijk handelen. Resultaten, daar komt het op aan, te bereiken met alle mogelijke middelen, liefst niet-schadelijke natuurlijk. De kwaliteit en de zin van alle handelen wordt afgelezen aan het resultaat, welk soort handelen dat ook mag zijn. Het lijkt er in het leven op aan te komen de eigen aangeboren en verworven competenties, met ondersteuning van alle mogelijke middelen en informatie, zo in te zetten dat men ‘top’ is. Het ik is de manager geworden van zichzelf, op basis van eigen assets en competenties, welke dan ook, die zoveel mogelijk moeten opbrengen.
De praktijk van het zen-boogschieten vertoont heel andere kenmerken. Middel en doel zijn hier niet gescheiden. Het middel waarmee we moeten handelen (het lichaam, de boog) zijn zelf eerbiedwaardig en worden met grote eerbied en zorg omringd. Niet wij beslissen ze te gebruiken, ze vallen ons toe, ze zijn als het ware onze bestemming, onze roeping. Evenmin scheiding tussen activiteit en resultaat. Het resultaat, het treffen van het doel, wordt door de zenmeester zonder meer afgekeurd wanneer de activiteit zelf niet van het juiste gehalte, van de juiste kwaliteit is. Dit betekent niet dat de roos treffen niet belangrijk is, maar dat moet het bijproduct zijn van de juiste activiteit. Evenmin onderscheid tussen training en eigenlijke activiteit. De training is de eigenlijke activiteit. Het is in de herhaling zelf dat ‘het’ moet gebeuren en ook als ‘het’ niet gebeurt, herbeginnen we later gewoon opnieuw. Geen scheiding tussen ik en activiteit: waar het op aankomt is op te gaan in de activiteit, ermee één te zijn.
Al die kenmerken van het zen-boogschieten: eenheid van middel en doel, ik en activiteit, training en activiteit kunnen slechts gerealiseerd worden in en door de herhaling waarin ‘het’ moet gebeuren: een vorm van activiteit te bereiken met een kwaliteit of densiteit aanvankelijk alleen onderkend door de meester, en pas geleidelijk ervaren door de leerling zelf. Doorheen de ‘training’ waarin hij de oude gewoonten en de drang om te winnen achter zich leert laten, moet de leerling komen tot een vorm van spontane activiteit, een soort tweede naïviteit in het handelen. Of het nu gaat om het boogschieten, het zwaardvechten, het bloemschikken of het theezetten, telkens lijkt dezelfde ‘handelingslogica’ aanwezig. Waar het op aankomt, is tot een soort handelen te komen waarin het klikt tussen de geest, het lichaam, de boog, het ogenblik en de werkelijkheid. Het treffen van het doel is slechts het uiterlijke teken van dat ‘klikken’. Wezenlijk voor dat ‘klikken’ is de bekwaamheid ‘to let go’, te handelen in spontaneïteit.
Opmerkelijk is de grote verwantschap tussen het soort activiteit als aanwezig in het zen-boogschieten en het ritueel (al dan niet religieus). Zen-bloemschikken en de zen thee-ceremonie worden trouwens uitdrukkelijk beschouwd als rituelen.  Ook hier gaat het om iets anders dan het kost wat kost afdwingen van een resultaat. Ook hier zijn ‘de middelen’, de gebaren, de woorden, de stiltes, de gebruikte objecten (de theepot bijvoorbeeld) ... tegelijk datgene waarom het gaat, onvervangbaar en eerbiedwaardig op zichzelf. Ook hier gaat het niet om ‘wat ik eraan heb’, maar om het gebeuren zelf. Hier ook is er de hoop op ‘densiteit’ of ‘relevantie’, maar eveneens het besef dat wanneer die niet wordt ervaren, dit het belang van het gebeuren niet opheft. Ook hier is er een dialectiek tussen de herhaling en de eenmaligheid van het gebeuren: elk ritueel is tegelijk uniek én een repetitie.  Het ritueel is als een eiland temidden van de zee van alledaagsheid waarop men tegelijk met een wij, een mystiek lichaam verbonden is, waarin men zelf ooit zal opgaan – en in zekere zin nu al opgaat.  Uiteindelijk lijkt het in het ritueel te gaan om het leren omgaan met onbeheersbaarheid. De beheersing gevraagd door de formele elementen en de ‘rigiditeit’ van de vormen van het ritueel staat in dienst van die omgang met onbeheersbaarheid.