Het oproepen van het mysterie, in poëzie en kunst, gehoorzaamt aan dezelfde wetten als het mysterie zelf. Ook die uitdrukkingen zijn wezenlijk geïncarneerd in alledaagse, materiële dingen, in klanken, kleuren, vormen, rijmen … En die incarnatie is niet bijkomstig: we kunnen datgene wat opgeroepen wordt, niet losmaken van die precieze klanken, van de rijmmogelijkheden in die taal (tradutore, traditore). Het vinden zelf van de juiste incarnatie is het werk van een schepping die men alleen aan de muzen of de goden kan toeschrijven. Ook hier is het zo dat uitdrukken van het mysterie niet vergt: nog betere woorden te vinden, nog meer informatie te betrekken. Een geslaagd gedicht, muziekstuk of schilderij lijkt onverbeterbaar. Het is een tovermiddel dat in de herhaling telkens weer – als we geluk hebben, als we begenadigd zijn als toehoorder, lezer of toeschouwer – in contact brengt met het mysterie. De diepste betekenis lijkt wel te worden opgeroepen door de meest versleten woorden en formules, die tegelijk het grootste gevaar lopen nietszeggend te zijn.

Ook wanneer het mysterie niet verschijnt, is het er. Datgene wat het mysterie incarneert, hoeft niet te beseffen dat het er de drager van is. Frank Rozelaar / Van Deyssel zegt het zo:

Het Goddelijke geschiedt aanhoudend. Alle ogenblikken, alle bewegingen behoren daartoe. Indien gij samenzijt met een ander, en gij merkt niets op en er is in u geen ontroering, dan is er, terwijl gij’t u niet bewust waart, toch iets goddelijks gebeurd.
Hoe dieper gij u daarna bewust kunt maken wat er gebeurd is, des te meer zal uw besef het goddelijke naderen, het goddelijke, dat toen gebeurd is (CCXLI).

Het mysterie van het kind is er, ook al merken we het niet, lopen we er gejaagd en druk doende voorbij. Maar het is er onbetwijfelbaar. Dat mysterie toont zich niet omdat wij het willen, of ernaar verlangen. Het enige wat we kunnen doen, zo lijkt het, is op geregelde tijdstippen, via beproefde woorden, gebaren en riten, wachten op de openbaring. In de wetenschap dat het mysterie er altijd al is, of het zich nu openbaart of niet, of wij in de mood zijn om het te vatten of niet. Het is verkeerd de kunst, de literatuur te zien als de uitdrukking van een beleving, een emotie in het leven van de dichter.  Maar het lijkt even verkeerd te zeggen dat het gedicht gaat over zichzelf, of over niets. Het wil het/een mysterie uitdrukken dat nooit grijpbaar is, dat alleen in de herhaling van het lezen – als we geluk hebben – zich aankondigt en tegelijk altijd ook ontsnapt. Elk gedicht tegelijk een eindpunt en een aanvang. “Every poem an epitaph [een grafschrift]”.
De herhaling en de formules die nodig zijn, veronderstellen een gemeenschap die de woorden, de gebaren, de formules, de gedichten bewaart en doorgeeft aan de kinderen die zelf eerst onwetend door de herhalingen heen moeten gaan: “Things must expect to come in front of us a many times … before we see them”. Het mysterie lijkt het sterkst aanwezig op plaatsen (zoals Little Gidding) waar altijd pelgrims heen trokken, of mensen werkend en biddend samenleefden.

You are here to kneel
Where prayer has been valid.
And prayer is more
Than an order of words, the conscious occupation
Of the praying mind, or the sound of the voice praying.
And what the dead had no speech for, when living,
They can tell you, being dead: the communication
Of the dead is tongued with fire beyond the language
of the living.
Here, the intersection of the timeless moment
Is England and nowhere. Never and always.