Artikelindex

Rede van Henk Schoonhoven - Uitgesproken op het symposium in Groningen 

 

foto:  jippes

Dames en Heren,

Wij leven in een wereld die bol staat van tekens, verwijzingen, symbolen, pictogrammen, ideogrammen. En wij leren die te interpreteren. We krijgen voorschriften hóe wij die moeten interpreteren. Bijvoorbeeld verkeersonderwijs op de basisschool, verkeersexamen voor ons rijbewijs. Alles gebaseerd op vast omschreven interpretaties: verbodsborden, gebodsborden enzovoort. Daarbij gaat het niet om ons gevoel, maar om ons verstand.

Maar er zijn ook situaties denkbaar waarin een teken een gevoelswaardekan oproepen – een gevoelswaarde die niet per se voor iedereen dezelfde lading heeft. Neem bijvoorbeeld de volgende situatie. In een ziekenhuiskamer liggen twee patiënten. De een weet dat hij vandaag gezond en wel ontslagen zal worden, de ander moet nog blijven en afwachten of verdere behandeling nog zinvol is.

Vanuit hun bed hebben ze beiden zicht op het groene pictogram “uitgang”. De patiënt die straks als genezen weg mag, beleeft die uitgang als een verwijzing dat hij straks gezond naar huis gaat. De ernstig zieke patiënt vraagt zich bij tijd en wijle af hoe hij die “uitgang” zal beleven: genezen of als overledene. Hier kan het eenvoudige pictogram “uitgang” een meerduidige beleving opwekken. Hier gaat dan de verstandelijkeuitleg van een objectief teken gepaard met een emotionele associatie. Het gaat voor de betrokkenen over naar de geladenheid van een symbool.

Maar voordat we verder gaan op ons onderwerp van vanmiddag wil ik eerst met u dat moeilijke woord ‘symbool’ toelichten. Dat komt van de oude Grieken en luidt eigenlijksumbolon.

Sum (sym)betekent ‘samen’ en bolonkomt van een werkwoord balloodat o.a. betekent ‘neerleggen’. Sumballoobetekent ‘samenbrengen/samenvoegen’, en een sumbolonbetekent dus een ‘samenvoegsel’.Wat voeg je nou samen zodat iets een symbool wordt? We gaan weer even naar de oude Grieken. Wanneer betrekkelijk vreemden elkaar bezochten en men nietzeker wist of er vanouds een band was, bestond er vaak het volgende gebruik: ooit was een potscherf doormidden gebroken, iemand had het ene stuk meegenomen en de ander het andere stuk. Kwam je zelf (of een van je familieleden) later ooit bij elkaar, dan kon je de stukken aan elkaar leggen als bewijs dat er vanouds een band bestond. Het startte dus puur op het stoffelijke vlak maar bevestigde een ‘onstoffelijke’ relatie. Van hieruit ontwikkelt zich een bizondere betekenis, en een mooie definitie van Carl Gustav Jung is: 

“Een symbool is in de volle zin van het woord: een samengevoegd zijn van het psychische respectievelijk spirituele met het natuurgebonden-stoffelijke”. 

We gaan naar het symbool als subjectieve ervaring van een objectief teken, en wel: de Europese vlag. Ik citeer uit Wikipedia

“De cirkel is onder andere het symbool van de eenheid en gelijkheid. Het aantal van twaalf sterren heeft geen relatie met het aantal lidstaten van de Raad van Europa of de Europese Unie. Volgens de officiële EU verklaring symboliseren de sterren de idealen van eenheid, solidariteit en harmonie tussen de volkeren van Europa. De sterren zelf hebben de vorm van een pentagram, een mathematisch volmaakte sterveelhoek.” 

Tot zover ditcitaat. En dan komt het: 

“Hoewel niet officieel dichten sommigen de vlag een katholieke betekenis toe: de twaalf sterren en het blauw van de achtergrond verwijzen volgens hen namelijk ook naar de Maagd Maria want in het boek Openbaring van Johannes verschijnt ze met een kroon van twaalf sterren.

Een van de ontwerpers van de vlag, Arsène Heitz uit Straatsburg, was inderdaad bijzonder gelovig. In 1989, een jaar voor zijn dood, onthulde Heitz in L’Osservatore Romano de herkomst van zijn inspiratie: de Maria-verschijningen in Rue du Bac in Parijs”. 

We zien hier dus al meteen hoe een objectieve voorstelling een emotionele, zelfs religieuze lading voor iemand kan krijgen. Het wordt dan voor de betrokkene een symbool, ‘iets wat ernaast wordt gelegd’. Daarom kan het verhelderend zijn als je zo af en toe voor jezelf een ander woord bedenkt en in plaats van ‘symbool’ ook het woord ‘samenlegsel’ gebruikt. 

Veel symbolen maken zo naast een vast omschreven betekenisook een persoonlijke belevingmogelijk. Religieuze ‘samenlegsels’ zijn daar natuurlijk bij uitstek een voorbeeld van: het dragen van een kruisje bijvoorbeeld. Maar ook de tegenwoordig zo populaire tattoo kan uitdrukking zijn van een persoonlijke gevoelswereld: wat een vlinder, een draak, een bloem etc. betekent, kan alleen ten diepste worden gevoeld door de drager ervan. ‘Samenlegsels’ kunnen de uitdrukking zijn van een innerlijke wereld, en we zouden in gesprek moeten gaan met degene die zich vereenzelvigt met zo ‘n afbeelding om er achter te komen wat hem of haar beweegt. Door dit te vragen willen we in gesprek, in contact komen, er over communiceren. Ook weer zo’n woord dat we even moeten bekijken.

In communicerenzit het Latijnse woord communis, dat ‘gemeenschappelijk’ betekent. Het is belangrijk te onderstrepen dat de grondbetekenis van communicatiedus wijst op het iets gemeenschappelijks hebbenen niet op het uitwisselen van gedachten en meningen (die soms ook nog tegengesteld kunnen zijn). Bijvoorbeeld om terug te komen op de ziekenhuiskamer: beide patiënten kunnen inderdaad overeenstemmen in hun waarneming van het pictogram ‘uitgang’ als zijnde de stoffelijke deur, maar ze verschillen wat hun psychische interpretatie betreft en communiceren daarover dus niet in strikt symbolische zin. Dat brengt ons meteen bij de vraag waarom een symbool bij verschillende mensen verschillende emoties kan oproepen. Deze meerduidigheid blijkt bijvoorbeeld uit het symbool van de swastika. 

Het is een oeroud symbool dat uiteraard een uiterst negatieve associatie heeft gekregen. Toch draagt het in oorsprong een positieve lading en daarvoor moeten we naar de herkomst van dit Oud-Indische Sanskrietwoord. De betekenis van het woord ‘swastika’ is: ‘teken van welzijn’. Als u op internet kijkt, vindt u hiervan uitvoerige beschrijvingen en interpretaties – en ook allerlei beschouwingen over al of niet rechtsdraaiend, linksdraaiend, met of zonder haken etc. Je zou dat ‘sub-interpretaties’ kunnen noemen, want de grondbetekenis blijft dezelfde: ‘teken van welzijn’. Vooral dit symbool maakt duidelijk dat symbolen binnen een groepeen emotionele lading teweeg kunnen brengen,  en dat het soms een enorme psychische energie tot uitbarsting kan brengen – ten goede maar ook ten kwade. Het is dus van belang zich goed op de hoogte te stellen van wat de eigenlijke interpretatie is van het symbool waarvan de groepzich bedient. In elk geval kun je stellen dat voor een bepaalde groep dit symbool de hechtheid van die groep tot uitdrukking brengt.

Een ander voorbeeld: het christelijke kruis: “Een teken voor lijden, verzoening, verlossing”. Maar dit teken van verzoeningkan ook worden ingezet voor bestrijdingen strijd.

Een ander recent voorbeeld uit Griekenland, waar antisemitisme al dan niet verholen, nog steeds aanwezig is. Ik citeer uit het boek van de NRC-correspondent en Griekenlandkenner Frans van Hasselt (Frans van Hasselt, Beladen erfgoed. Het Griekenland van voor de crisis, Groningen-Amstelveen 2018, p. 170-1).

“Vooral in kerkelijke gelederen verkondigen hardliners de wonderlijke doctrine dat de joden het bij hun streven naar de wereldheerschappij speciaal op Griekenland en de orthodoxie, het ware geloof, hebben gemunt. Dit idee neemt soms pathologische dimensies aan. Zo werd er door een non die een tijdlang op televisie verscheen, kritiek geuit op de groeiende hoeveelheid palmbomen in het straatbeeld. Het zou een joodse samenzwering zijn, het was immers een joods symbool. Inderdaad werd het palmboompje naast een borstbeeld van Melina Mercouri op voorstel van een parlementariër door een olijfboompje vervangen.”

Tot zover Frans van Hasselt. Dit laatste voorbeeld, de palmboom die moet wijken voor de olijfboom, is (hoe treurig de argumentatie van de non ook is) toch ook vermakelijk. Want in de christelijke iconografie is de palmboom een symbool voor het paradijs! Dat wist de non dus blijkbaar niet…

Wat geeft toch aan een symbool zo’n enorme potentie? Zo’n geweldige (en soms zelfs gewelddadige) ideologische gedrevenheid? Blijkbaar berust ideologische gedrevenheid op een emotioneel, psychisch, draagvlak.

Als er nu één ding duidelijk is, is het wel dat een symbool niet één enkele interpretatie toelaat maar dat er meerdere invullingen mogelijk zijn al naargelang de groep waarbinnen het functioneert.Om dit verder te illustreren ga ik naar een ander symbool dat veel misverstand oproept: de gelijkzijdige driehoek. 

In de Allgemeine Musikalische Zeitungvan 1799 verscheen een opmerkelijke afbeelding: Bach als zon der componisten. De Duitse wetenschapper Suzanne van Kempen schrijft hierover:

 “Bach als centrum, omgeven door andere destijds belangrijke musici. Bach werd dus als centrum en uitgangspunt ervaren, wiens invloed zich over de verschillende muzikale perioden heen tot op heden doet voelen.”


Wat onmiddellijk opvalt is, dat Van Kempen er helemaal geen aandacht aan besteedt waaromBach centraal staat binnen een gelijkzijdige driehoek. Heeft die gelijkzijdige driehoek een diepere betekenis?

Ik ga met u naar een café-restaurant in Trier, naast het Simeonstift. In het plafond van één van de zalen viel mij deze stucversiering op. Hier wordt de gelijkzijdige driehoek omgeven door een wolkige krans, terwijl uit de gelijkzijdige driehoek stralen schieten. Ik neem aan dat u onmiddellijk associaties krijgt met iets ‘hemels’. We zien dat daarin ook nog vaak een oog staat afgebeeld.

Nog een voorbeeld: het zegel van een Franse vrijmetselaarsloge in Versailles. Binnen de gelijkzijdige driehoek zien we een handdruk weergegeven.

Drie totaal verschillende symbolische voorstellingen van de gelijkzijdige driehoek die totaal verschillende emoties zullen oproepen bij verschillende doelgroepen: musici, katholieken en vrijmetselaars. Binnenelke doelgroep kan er communicatiezijn in strikte zin(men begrijpt elkaar) maar tussen de groepen onderling ligt het heel wat gecompliceerder en kan het uitmonden in vooroordeel of vijandigheid.

Wat betekent nou die gelijkzijdige driehoek? Daarvoor moeten we terug naar de Griekse filosoof Plato.

Ik ga met u naar de beroemde schildering van Rafaël in het Vaticaan, ‘De school van Athene’. Plato draagt hier onder de arm zijn dialoog Timaeus. Daarin beschrijft Plato het ontstaan van de kosmos en hij noemt niet de Griekse oppergod Zeus als schepper, maar hij noemt die scheppende kracht “de demiurg” – een Grieks woord dat “handwerksman, vakman” betekent. En deze handwerksman bouwt volgens Plato de kosmos en de wereld volgens geometrische principes, hij is dus “bouwmeester”. Overal in de schepping is volgens Plato de wetmatigheid van de geometrie waar te nemen, en wel in vijf regelmatige veelvlakken, de zgn. Platonische lichamen.Het zijn het viervlak, zesvlak, achtvlak en twintigvlak die in verband staan met de elementen vuur, aarde, lucht en water. Als vijfde ‘lichaam’ wordt het twaalfvlak (de dodecaëder met zijn twaalf veelhoeken) in verband gebracht met het heelal. Volgens Plato is in elk van die vijf regelmatige veelvlakken juist de gelijkzijdige driehoekhet bouwelement en die is voor hem de schoonste uitdrukking van de goddelijke scheppingskracht: “Wij nu, zeg ik, beschouwen onder al die vele driehoeken déze éne – over de andere stappen we heen – als de schoonste: nl. die waaruit, als men er twee van neemt, als derde de gelijkzijdige driehoek is samengesteld. Waarom? Dat zou een vrij lang betoog vragen.” Plato’s gelijkzijdige driehoek is: het constituerende element dat de ‘handwerksman’ toepast om de kosmos te creëren.

Deze visie van Plato vindt een vervolg, de hele oudheid door tot in de bouwkunde van de Renaissance, in de zgn. gewijde/sacrale geometrie. Ik laat eerst een tekst uit de 5eeeuw na Chr. zien, ruim achthonderd jaar na Plato.

Nonnus (een Griekse dichter uit de 5eeeuw n.Chr.) voert een astronoom ten tonele:

“Op zijn tafelvlak had hij zwart stof gestrooid als schrijfondergrond en hij beschreef net met een ijzeren passer een cirkel, en daarin een vierkant waarvoor hij heldere as gebruikte; en bovendien tekende hij in het vierkant een gelijkzijdige driehoek.”

In de iconografie van de Griekse Orthodoxie vinden we die sacrale geometrie terug. Dan komen in West-Europa de Middeleeuwen en daarna de Renaissance: perioden die helemaal de invloed van Plato en het Neoplatonisme ondergaan. In de kathedraalbouw, in de spirituele alchemie, overal is de gewijde geometrie te herkennen.

In de christelijke visie wordt de gelijkzijdige driehoek geïnterpreteerd als symbool voor de Drie-eenheid. Door die interpretatie zien we dus ook hier weer dat een objectief geometrisch teken een uiteenlopende symboolwaarde kan ontwikkelen en dat hierover uitsluitend in strikte zin kan worden gecommuniceerd door ‘gelijkgestemden’ / ‘gelovigen’.

Maar niet alleen de gelijkzijdige driehoek geeft aanleiding tot verschillende interpretaties, van Bach tot Katholieken en Vrijmetselaren. En hoe zit het dan wanneer er een oog binnenin wordt afgebeeld?

Laat ik beginnen met het symbool van een oog. De oude Grieken en Romeinen kenden de beeldspraak van ‘het oog der Gerechtigheid’. Ik geef hiervan enkele voorbeelden.

- in de Elektravan Euripides, v.771: O goden en Recht dat alles ziet, u bent eindelijk gekomen!

- een fragment van de komediedichter Menander (4eeeuw v.Chr.):Het is het oog der Gerechtigheid dat alles ziet.

- de Romeinse schrijver Gellius (2eeeuw n.Chr.): Chrysippus schilderde het gelaat en de ogen der Gerechtigheid en haar gelaatsuitdrukking in strenge, eerbiedwaardige en kleurrijke bewoordingen.

- de geschiedschrijver Ammianus Marcellinus (4eeeuw n.Chr.): omdat het eeuwige oog der Gerechtigheid waakte,en: het oog der Gerechtigheid waakte als voortdurende rechter en wreker.

Moeten we dus het oog in die gelijkzijdige driehoek interpreteren als het oog der Gerechtigheid? Dus als het oog van een Alziende, Wrekende en Rechtsprekende God? Laten we weer naar Plato gaan als hij het heeft over kosmos: ”Het is moeilijk om de maker en de vader van dit Al te vinden, en als men hem gevonden heeft, aan allen mee te delen”.

Het is Plato geweest die als eerste die het ‘zien’ heeft ingebracht in zijn filosofie, en wel in zijn ‘Ideeën- (d.i. Vormen-)leer’: al het zintuiglijk waarneembare in deze wereld heeft zijn ‘oervorm’ in een wereld die onze zintuigelijke wereld overstijgt. Deze Vormenwereld is volgens Plato slechts ‘schouwbaar’, ‘zichtbaar’ in de door filosofie geschoolde geest, het is eeninnerlijk ‘zien’ dat uitstijgt boven het fysisch waarneembare. Dit innerlijke zien wordt door Plato het innerlijke oog genoemd, en door filosofische scholing kan de filosoof zicht krijgen op het waarlijk Zijnde, op het “overstijgende/ goddelijke”. Daarbij komt de beeldspraak van het innerlijke, schouwende oog veelvuldig voor. Zo gebruikt Plato in De Staathet beeld van het oog van de ziel minstens 5 keer. De mens kan, door het inschakelen van zijn schouwende geestesoog een waarlijk inzicht verkrijgen in datgene wat deze materiële wereld overstijgt.


We zien hier dus een relatie tussen denken, innerlijke blik, zelfkennis en spirituele bewustwording. Het begint met kennis en inzichtnaar binnen toe– en dit kan leiden tot een overstijgende ervaring, het schouwen van het goddelijke.

Hier hebben we niet te maken met religieuze dogmatiek maar met de individuele beleving van spiritualiteit, een innerlijke weg tot bewustwording.Voor Plato is dit ‘denken met het innerlijke geestesoog’ de voorwaarde om ‘waarheid’ te ontdekken.

Het zou te ver voeren als ik vanmiddag alle latere bewijsplaatsen waar die beeldspraak voorkomt zou willen illustreren met citaten, maar ik laat hier een paar voorbeelden van het schouwende geestesoog volgen.

Plato’s leerling Aristoteles stelt:“Het welbekende ‘oog van de ziel’ ontwikkelt zich niet tot verstandigheid zonder voortreffelijkheid van karakter.”

Een ander voorbeeld. De Platonist Justinus (2eeeuw n.Chr.):  “God is niet met de ogen te zien, zoals andere levende wezens, maar alleen met de geest te grijpen. Het oog van de geest is van dien aard, en is ons daartoe gegeven, om het Zijnde zelf te kunnen zien. Dit Zijnde-zelf is het enige Ware, Schone en Goede. Welnu, dit komt plotseling in de zielen van goede aanleg door het verlangen naar de aanschouwing.”

Die aansporing tot de ‘reiniging van het denken door het innerlijke oog’ neemt de hele Oudheid door een belangrijke plaats in: het is het kernmoment in de opgang van de ziel tot het beleven en schouwen van het overstijgend-goddelijke Goede en Schone. We treffen het beeld meerdere keren aan bij de Neo-Platonist Plotinus (3eeeuw n. Chr.):

“Wat ziet dat innerlijk oog dan wel? (…). Keer tot u zelf in en kijk; en als u ziet dat u zelf nog niet schoon bent, handel dan als de maker van een beeld dat schoon moet worden. Zo moet u ook weghakken wat overbodig is en rechtmaken wat scheef is, reinigen wat duister is en maken dat het gaat stralen, en zonder ophouden aan uw beeld schaven, totdat de goddelijke glans van de deugd uit u straalt.”

Een andere Neo-Platonist, Jamblichus (c.250-325 n.Chr.):

“Het behoud van dit oog is volgens Plato belangrijker dan dat van tienduizend lichamelijke ogen. Dit alleen kan de waarheid schouwen over alles wat is, met doordringende blik, wanneer het met de juiste hulpmiddelen gesterkt en gevormd is.”

De Neo-Platonist Synesius (ca. 370 – ca. 412 n.Chr.) schrijft in een brief aan zijn medestudent aan de Grote Bibliotheek in Alexandrië, Herculianus (geschreven in 395 n.Chr.):

“Vaarwel dan, studeer filosofie en ga door met het opgraven van het oog dat in ons bedolven is.”

Tot zover enkele citaten uit een overvloed aan voorbeelden.

We zien dus dat er al sinds de Oudheid twee metaforen voor het oog gangbaar waren: de beeldspraak van het filosofische, schouwende oog ende beeldspraak van het altijd wakende oog der Gerechtigheid. Van dat oog der Gerechtigheid vinden we een afbeelding in een Grieks-Orthodoxe kerk in Mistras op de Peloponnesus met nota bene het citaat uit de komediedichter Menander dat ik hierboven heb gegeven. Het is duidelijk dat het christelijke ‘alziend’ oog van God teruggrijpt op die beeldspraak van het oog der Gerechtigheid. Het is overbekend in de iconografie van de Katholieke Kerk.

Maar waarom dan die gelijkzijdige driehoek er omheen? We hebben al gezien dat Plato de gelijkzijdige driehoek beschouwt als de geometrische figuur die de ‘handwerksman’ hanteert bij zijn creatie van de kosmos. Het heeft dus te maken met iets goddelijks. Om de christelijke toepassing van het oog in de driehoek beter te begrijpen gaan we naar het jaar 1563, het jaar van het katholieke concilie van Trente. Toen dit Concilie werd afgesloten was één van de besluiten dat God niet in menselijke gedaante mocht worden voorgesteld. En het is zonder meer mogelijk dat men daarom uitweek naar de gelijkzijdige driehoek als uitdrukking van de Schepper, met daarin het oog als het oog der Gerechtigheid Gods.

Inderdaad komt die afbeelding pas in zwang aan het eind van de 17eeeuw, dus nahet Concilie. De gelijkzijdige driehoek kon men ontlenen aan de gewijde geometrie van Plato als verwijzing naar het goddelijke en met het oog verwijzen naar de Gerechtigheid Gods. We hebben hier dus te maken met een ontleningaan, en een ombuiging van, twee voorstellingen uit de niet-christelijke Griekse Oudheid.

Ik hoop enigszins duidelijk te hebben gemaakt dat het oog in de driehoek nietper seuitgelegd hoeft te worden in slechts één betekenis, te weten: alleen maar “de christelijke”. Zelfs het Amerikaanse dollarbiljet met de Latijnse spreuken er omheen verwijst naar voorstellingen uit de Grieks-Romeinse Oudheid, en wel de idee van een nieuwe Gouden Eeuw – een voorstelling die ik hier niet verder kan uitdiepen.

En hoe zit het dan met het oog en de driehoek in de Vrijmetselarij, waarmee de Rooms-Katholieke en Grieks-orthodoxe kerken op gespannen voet staan? Is het hier een oog der Gerechtigheid -  of een innerlijk, schouwend oog?  De vrijmetselarij die juist zelfonderzoek als motto heeft? Dit motto: ‘Ken Uzelf’, heeft natuurlijk niets van doen met een intellectuele activiteit maar gaat naar het hart.

Voor iedereen wordt zijn interpretatie en belevingswereld ingekleurd door de eigen achtergrond. Een dogmatisch opgevoede christen zal het oog in de driehoek interpreteren als het oog van de alziende God der gerechtigheid. Maar iemand die helemaal geen kerkelijke achtergrond heeft, kan geboeid kennis nemen van het innerlijke filosofische oog zoals bij Plato – een visie op het goddelijke, het ‘overstijgende’.

Het begint ons te duizelen… Maar er is wel één ding duidelijk  geworden : de beleving van een symbool  is afhankelijk  van wat er naast gelegd wordt. Ik citeer nog eens Jung: “Een symbool is in de volle zin van het woord: een samengevoegd zijn van het psychische respectievelijk spirituele met het natuur-gebonden stoffelijke.”

De kwaliteit van het ‘samenlegsel’ hangt dus af van de psychische, respectievelijk spirituele gesteldheid van degene die het hanteert. We zijn hiermee beland op het terrein van de psychologie en de godsdienstpsychologie. Wat iemand of een groep drijft tot bevlogenheid met symbolen, en hoe die symbolen ten goede maar ook ten kwade kunnen worden beleefd, is uiteindelijk een kwestie van emoties en daarvoor moeten we niet bij de logica van het verstand te rade gaan maar bij het hart. Het gaat dus uiteindelijk om het eigen binnenste – en de bereidheid om met zichzelf in een socratische dialoog te treden. Zelfreflectie, “Leer Uzelf kennen” – het is als het ware een labyrintische zoektocht om uiteindelijk te geraken tot een innerlijk rustpunt als centrum-ervaring.

Met het labyrint raken wij aan een symbool dat emotionele ervaringversterkt door een fysieke belevenis. Het labyrint is geen doolhof, maar voert door middel van ommegangen die nu eens het centrum naderen en dan weer er van af voeren, tenslotte naar het midden. Het is te vergelijken met hartslag en bloeddruk – systolisch en diastolisch. 

Het labyrinten de centrumervaring.

Het meest fundamentele boek over labyrinten is dat van Hermann Kern, Labyrinthe. Erscheinungsformen und Deutungen; 5000 Jahre Gegenwart eines Urbilds(München 1982).

Het labyrintmotief heeft altijd een grote aantrekkingskracht gehad, waarbij natuurlijk de Griekse mythe over het labyrint op Kreta het populairst is. U kent het verhaal: de Minotaurus, een monster half mens/half stier, opgesloten middenin het labyrint wordt door de held Theseus gedood.

Wat het labyrint op Kreta betreft, kan ik er nu niet al te diep op ingaan. Maar naar alle waarschijnlijkheid was het niet een gebouw maar een ritueel danspatroon, een inwijdingsdans met een symbolische dood in het centrum verbeeld door de Minotaurus. Een symbolisch afsterven aan het oude en herboren worden op een nieuw niveau, sociaal of spiritueel. In zekere zin een herboren worden.

Kernbegint zijn eerste hoofdstuk met het volgende motto:

Im Labyrinth verliert man sich nicht

Im Labyrinth findet man sich

Im Labyrinth begegnet man nicht dem Minotauros

Im Labyrinth begegnet man sich selbst

 

(In het labyrint verdwaalt men niet

In het labyrint vindt men zijn weg

In het labyrint ontmoet men niet de Minotaurus

In het labyrint ontmoet men zichzelf)

Je kunt die mythe en het labyrint dus ook psychologisch duiden als “jezelf ontmoeten”, en ik citeer de beroemde mytholoog Campbell als hij het heeft over het labyrint:

 “Vaak is een van de dingen die je leert (…) hoe je het labyrint van het leven (datgene dat blokkeert) op zo’n manier moet binnengaan dat zijn spirituele waarden doorkomen.”

En     “Al die mythologische beelden als het doden van monsters en het passeren van drempels heeft te maken met het opheffen van fixaties. Het zijn mythologische beelden die te maken hebben met het doden van het kinderlijke ego en het voortbrengen van een volwassene, de beproevingen van de overgang van vroege jeugd naar rijpheid en wat die rijpheid betekent…”

Blokkades overwinnen door het labyrint in te gaan, het kinderlijke ego overwinnen

en tot rijpheid geraken…Dat proces is een spiritueel inwijdingsgebeuren.

Ik rond af en ga eerst nog even terug naar het beeld van het innerlijke oog, en daarvoor citeer ik de vijfde-eeuwse staatsman en filosoof Boëthius(ca. 480 – 524 n.Chr.),die in Pavia in de dodencel op zijn executie wacht en daar De Troost der Wijsbegeerte schrijft. Daarin laat hij Vrouwe Filosofia aldus het woord tot hem richten:

 “Wie in de diepte van zijn geest naar waarheid speurt

         en zich niet wil vergissen in de juiste weg,

         laat díe naar binnen keren ’t licht der innerlijke blik,

         zijn lange zoektocht buigen naar zichzelf,

         en ’t hart vertellen dat hetgeen het buiten zoekt,

         al in zijn eigen schatkist ligt als zijn bezit.”

Dit geschrift van Boëthius, De Troost van Vrouwe Wijsbegeerte, was van meet af aan geliefde literatuur: de hele Middeleeuwen door, in de Renaissance en nog later. In oude handschriften wordt daarbij vaak een labyrint als illustratie opgenomen.

Van het hoofd naar het hart…

Ik dank u voor uw aandacht.

 

Henk Schoonhoven,

6 oktober 2018