Artikelindex

We zien hier dus een relatie tussen denken, innerlijke blik, zelfkennis en spirituele bewustwording. Het begint met kennis en inzichtnaar binnen toe– en dit kan leiden tot een overstijgende ervaring, het schouwen van het goddelijke.

Hier hebben we niet te maken met religieuze dogmatiek maar met de individuele beleving van spiritualiteit, een innerlijke weg tot bewustwording.Voor Plato is dit ‘denken met het innerlijke geestesoog’ de voorwaarde om ‘waarheid’ te ontdekken.

Het zou te ver voeren als ik vanmiddag alle latere bewijsplaatsen waar die beeldspraak voorkomt zou willen illustreren met citaten, maar ik laat hier een paar voorbeelden van het schouwende geestesoog volgen.

Plato’s leerling Aristoteles stelt:“Het welbekende ‘oog van de ziel’ ontwikkelt zich niet tot verstandigheid zonder voortreffelijkheid van karakter.”

Een ander voorbeeld. De Platonist Justinus (2eeeuw n.Chr.):  “God is niet met de ogen te zien, zoals andere levende wezens, maar alleen met de geest te grijpen. Het oog van de geest is van dien aard, en is ons daartoe gegeven, om het Zijnde zelf te kunnen zien. Dit Zijnde-zelf is het enige Ware, Schone en Goede. Welnu, dit komt plotseling in de zielen van goede aanleg door het verlangen naar de aanschouwing.”

Die aansporing tot de ‘reiniging van het denken door het innerlijke oog’ neemt de hele Oudheid door een belangrijke plaats in: het is het kernmoment in de opgang van de ziel tot het beleven en schouwen van het overstijgend-goddelijke Goede en Schone. We treffen het beeld meerdere keren aan bij de Neo-Platonist Plotinus (3eeeuw n. Chr.):

“Wat ziet dat innerlijk oog dan wel? (…). Keer tot u zelf in en kijk; en als u ziet dat u zelf nog niet schoon bent, handel dan als de maker van een beeld dat schoon moet worden. Zo moet u ook weghakken wat overbodig is en rechtmaken wat scheef is, reinigen wat duister is en maken dat het gaat stralen, en zonder ophouden aan uw beeld schaven, totdat de goddelijke glans van de deugd uit u straalt.”

Een andere Neo-Platonist, Jamblichus (c.250-325 n.Chr.):

“Het behoud van dit oog is volgens Plato belangrijker dan dat van tienduizend lichamelijke ogen. Dit alleen kan de waarheid schouwen over alles wat is, met doordringende blik, wanneer het met de juiste hulpmiddelen gesterkt en gevormd is.”

De Neo-Platonist Synesius (ca. 370 – ca. 412 n.Chr.) schrijft in een brief aan zijn medestudent aan de Grote Bibliotheek in Alexandrië, Herculianus (geschreven in 395 n.Chr.):

“Vaarwel dan, studeer filosofie en ga door met het opgraven van het oog dat in ons bedolven is.”

Tot zover enkele citaten uit een overvloed aan voorbeelden.

We zien dus dat er al sinds de Oudheid twee metaforen voor het oog gangbaar waren: de beeldspraak van het filosofische, schouwende oog ende beeldspraak van het altijd wakende oog der Gerechtigheid. Van dat oog der Gerechtigheid vinden we een afbeelding in een Grieks-Orthodoxe kerk in Mistras op de Peloponnesus met nota bene het citaat uit de komediedichter Menander dat ik hierboven heb gegeven. Het is duidelijk dat het christelijke ‘alziend’ oog van God teruggrijpt op die beeldspraak van het oog der Gerechtigheid. Het is overbekend in de iconografie van de Katholieke Kerk.

Maar waarom dan die gelijkzijdige driehoek er omheen? We hebben al gezien dat Plato de gelijkzijdige driehoek beschouwt als de geometrische figuur die de ‘handwerksman’ hanteert bij zijn creatie van de kosmos. Het heeft dus te maken met iets goddelijks. Om de christelijke toepassing van het oog in de driehoek beter te begrijpen gaan we naar het jaar 1563, het jaar van het katholieke concilie van Trente. Toen dit Concilie werd afgesloten was één van de besluiten dat God niet in menselijke gedaante mocht worden voorgesteld. En het is zonder meer mogelijk dat men daarom uitweek naar de gelijkzijdige driehoek als uitdrukking van de Schepper, met daarin het oog als het oog der Gerechtigheid Gods.

Inderdaad komt die afbeelding pas in zwang aan het eind van de 17eeeuw, dus nahet Concilie. De gelijkzijdige driehoek kon men ontlenen aan de gewijde geometrie van Plato als verwijzing naar het goddelijke en met het oog verwijzen naar de Gerechtigheid Gods. We hebben hier dus te maken met een ontleningaan, en een ombuiging van, twee voorstellingen uit de niet-christelijke Griekse Oudheid.

Ik hoop enigszins duidelijk te hebben gemaakt dat het oog in de driehoek nietper seuitgelegd hoeft te worden in slechts één betekenis, te weten: alleen maar “de christelijke”. Zelfs het Amerikaanse dollarbiljet met de Latijnse spreuken er omheen verwijst naar voorstellingen uit de Grieks-Romeinse Oudheid, en wel de idee van een nieuwe Gouden Eeuw – een voorstelling die ik hier niet verder kan uitdiepen.

En hoe zit het dan met het oog en de driehoek in de Vrijmetselarij, waarmee de Rooms-Katholieke en Grieks-orthodoxe kerken op gespannen voet staan? Is het hier een oog der Gerechtigheid -  of een innerlijk, schouwend oog?  De vrijmetselarij die juist zelfonderzoek als motto heeft? Dit motto: ‘Ken Uzelf’, heeft natuurlijk niets van doen met een intellectuele activiteit maar gaat naar het hart.

Voor iedereen wordt zijn interpretatie en belevingswereld ingekleurd door de eigen achtergrond. Een dogmatisch opgevoede christen zal het oog in de driehoek interpreteren als het oog van de alziende God der gerechtigheid. Maar iemand die helemaal geen kerkelijke achtergrond heeft, kan geboeid kennis nemen van het innerlijke filosofische oog zoals bij Plato – een visie op het goddelijke, het ‘overstijgende’.

Het begint ons te duizelen… Maar er is wel één ding duidelijk  geworden : de beleving van een symbool  is afhankelijk  van wat er naast gelegd wordt. Ik citeer nog eens Jung: “Een symbool is in de volle zin van het woord: een samengevoegd zijn van het psychische respectievelijk spirituele met het natuur-gebonden stoffelijke.”

De kwaliteit van het ‘samenlegsel’ hangt dus af van de psychische, respectievelijk spirituele gesteldheid van degene die het hanteert. We zijn hiermee beland op het terrein van de psychologie en de godsdienstpsychologie. Wat iemand of een groep drijft tot bevlogenheid met symbolen, en hoe die symbolen ten goede maar ook ten kwade kunnen worden beleefd, is uiteindelijk een kwestie van emoties en daarvoor moeten we niet bij de logica van het verstand te rade gaan maar bij het hart. Het gaat dus uiteindelijk om het eigen binnenste – en de bereidheid om met zichzelf in een socratische dialoog te treden. Zelfreflectie, “Leer Uzelf kennen” – het is als het ware een labyrintische zoektocht om uiteindelijk te geraken tot een innerlijk rustpunt als centrum-ervaring.

Met het labyrint raken wij aan een symbool dat emotionele ervaringversterkt door een fysieke belevenis. Het labyrint is geen doolhof, maar voert door middel van ommegangen die nu eens het centrum naderen en dan weer er van af voeren, tenslotte naar het midden. Het is te vergelijken met hartslag en bloeddruk – systolisch en diastolisch. 

Het labyrinten de centrumervaring.

Het meest fundamentele boek over labyrinten is dat van Hermann Kern, Labyrinthe. Erscheinungsformen und Deutungen; 5000 Jahre Gegenwart eines Urbilds(München 1982).

Het labyrintmotief heeft altijd een grote aantrekkingskracht gehad, waarbij natuurlijk de Griekse mythe over het labyrint op Kreta het populairst is. U kent het verhaal: de Minotaurus, een monster half mens/half stier, opgesloten middenin het labyrint wordt door de held Theseus gedood.

Wat het labyrint op Kreta betreft, kan ik er nu niet al te diep op ingaan. Maar naar alle waarschijnlijkheid was het niet een gebouw maar een ritueel danspatroon, een inwijdingsdans met een symbolische dood in het centrum verbeeld door de Minotaurus. Een symbolisch afsterven aan het oude en herboren worden op een nieuw niveau, sociaal of spiritueel. In zekere zin een herboren worden.

Kernbegint zijn eerste hoofdstuk met het volgende motto:

Im Labyrinth verliert man sich nicht

Im Labyrinth findet man sich

Im Labyrinth begegnet man nicht dem Minotauros

Im Labyrinth begegnet man sich selbst

 

(In het labyrint verdwaalt men niet

In het labyrint vindt men zijn weg

In het labyrint ontmoet men niet de Minotaurus

In het labyrint ontmoet men zichzelf)

Je kunt die mythe en het labyrint dus ook psychologisch duiden als “jezelf ontmoeten”, en ik citeer de beroemde mytholoog Campbell als hij het heeft over het labyrint:

 “Vaak is een van de dingen die je leert (…) hoe je het labyrint van het leven (datgene dat blokkeert) op zo’n manier moet binnengaan dat zijn spirituele waarden doorkomen.”

En     “Al die mythologische beelden als het doden van monsters en het passeren van drempels heeft te maken met het opheffen van fixaties. Het zijn mythologische beelden die te maken hebben met het doden van het kinderlijke ego en het voortbrengen van een volwassene, de beproevingen van de overgang van vroege jeugd naar rijpheid en wat die rijpheid betekent…”

Blokkades overwinnen door het labyrint in te gaan, het kinderlijke ego overwinnen

en tot rijpheid geraken…Dat proces is een spiritueel inwijdingsgebeuren.

Ik rond af en ga eerst nog even terug naar het beeld van het innerlijke oog, en daarvoor citeer ik de vijfde-eeuwse staatsman en filosoof Boëthius(ca. 480 – 524 n.Chr.),die in Pavia in de dodencel op zijn executie wacht en daar De Troost der Wijsbegeerte schrijft. Daarin laat hij Vrouwe Filosofia aldus het woord tot hem richten:

 “Wie in de diepte van zijn geest naar waarheid speurt

         en zich niet wil vergissen in de juiste weg,

         laat díe naar binnen keren ’t licht der innerlijke blik,

         zijn lange zoektocht buigen naar zichzelf,

         en ’t hart vertellen dat hetgeen het buiten zoekt,

         al in zijn eigen schatkist ligt als zijn bezit.”

Dit geschrift van Boëthius, De Troost van Vrouwe Wijsbegeerte, was van meet af aan geliefde literatuur: de hele Middeleeuwen door, in de Renaissance en nog later. In oude handschriften wordt daarbij vaak een labyrint als illustratie opgenomen.

Van het hoofd naar het hart…

Ik dank u voor uw aandacht.

 

Henk Schoonhoven,

6 oktober 2018